Toen: Rozen

Ik sta in de keuken van mijn werk en de schoonmaakster is naast mij bezig. Ze gooit haar vieze water weg en vult een nieuwe emmer met sop. Het is donderdagochtend en ik maak een kopje thee klaar om aan het werk te gaan. Haar nieuwe sopje ruikt naar rozen. Ik denk terug aan de rozenkassen van mijn oom. Mijn oom, de broer van mijn moeder, had er veel, en altijd stonden ze vol met mooie lange rozen in de meest prachtige kleuren.

Lang nadat ik de kassen van mijn oom leerde kennen, rook ik een roos voor het eerst buiten de kas. Iemand stak zijn neus in de roos en vond het heerlijk ruiken. Ik rook er ook aan, en vond de geur lekker, maar rook vooral de rozenkas van mijn oom. Nooit in mijn leven zal ik een roos ruiken, ik ruik altijd de rozenkas van mijn oom. Erg vind ik dat niet.

In de zomer brachten mijn neefjes en nichtjes en mijn zusjes en ik daar vele uren door. Mijn moeder hielp haar broer vaak met de oogst en wij gingen dan mee. Het was zomervakantie en we liepen de hele dag in onze zwemkleding rond. Ik weet niet hoe oud ik was. Acht misschien, of jonger nog? Mij neef was even oud als ik, mijn nicht had dezelfde leeftijd als mijn zus, en mijn neefje was even oud als mijn zusje. Een perfecte combinatie.

In mijn herinnering speelden we allemaal samen. Rondom de rozenkassen stonden grote waterbassins, enorme ‘zwembaden’ gevuld met water om de planten te bewateren. Soms klommen wij stiekem op de rand, en raakten we het water aan. Dat mocht nooit want het was gevaarlijk; als je in een bassin valt kom je er moeilijk uit. Veel dichterbij het water durfde ik gelukkig ook niet te komen want ik was ervan overtuigd dat er enge vissen inzwommen. Ook speelden we bij de ondiepe lange slootjes die stukken grond van buren scheidden. Kliederen in de modder, visjes vangen, insecten bekijken.

Op een dag was mijn neef mij aan het plagen. Ik weet niet wat hij deed maar hij zat achter mij aan, op de oprijbaan die naar de ingang van de kassen leidde. De oprijbaan was breed genoeg voor een vrachtwagen en vooral heel lang. Er lagen allemaal losse kiezelsteentjes als bestrating. Ik had een zwembroekje en kaplaarzen aan en sjeesde op een oud fietsje naar mijn moeder, om tegen haar te vertellen dat mijn neef mij plaagde. Ik herinner mij dat ik achteromkeek of mijn neef het al had opgegeven en onderuitging. Ik maakte een sliding en de kleine steentjes bleven in mijn buik hangen. Ik weet niet of het er tien waren, of misschien maar drie of misschien wel vijftien. Het deed wel erg veel pijn en ik moest huilen.

Iedereen schrok en mama was er snel bij. Ik weet dat ik daarna, ‘s avonds lekker in een sodabad mocht om te weken. Mijn zusje wilde ook bij mij in bad maar ik wilde dit momentje van fame niet met mijn zusje delen. Uiteindelijk won mijn zusje en zaten we samen in bad. Heel erg was dat ook weer niet. Met mijn buik is het helemaal goed gekomen. Mijn badverslaving heb ik nooit afgeleerd. Gelukkig past er nu niemand meer bij in mijn bad.

Waterbassin rozenkas

Advertenties

Toen: Glitterkerstbomen

In mijn hometown zijn meerdere grote tuincentra. Ik herinner mij alledrie, maar één herinner ik mij het beste; het tuincentrum met de glitterkerstbomen.

Zo af en toe gingen mijn moeder, mijn zus, mijn zusje en ik naar het tuincentrum. Mijn moeder is een echte tuingek en vindt het heerlijk om een mooie tuin te hebben. De eeuwige strijd tegen de slakken en het onkruid is er een die ik mij van jongs af aan herinner. Met allerlei huis- tuin- en keukenmiddelen probeert ze deze ongewenste bezoekers weg te krijgen. Ik weet nog dat ze een periode, elke ochtend alle slakken gewoon oppakte, in een emmer deed en weer ergens anders op het erf uitzette. Of het erg effectief was weet ik niet. Mijn moeder is zo een type die opmerkt dat er tussen de straattegels van de straten in Madrid weinig onkruid groeit.

Hoe dan ook, mijn moeders hobby geeft haar soms frustratie maar ook veel plezier. Ze geniet van haar mooie, gekleurde tuin met de mooiste planten en bloemen. Wij genoten er vroeger ook al van. Vooral vanwege de uitstapjes naar de grote tuincentra, denk ik.

Ik vond tuincentra opmerkelijke winkels. Het was er niet warm, de vloer was gewoon vies en het leek alsof je buiten was, maar het was wel overdekt. Zoiets zie je niet in een gewoon winkelcentrum. In het tuincentrum zagen wij de mooiste planten en bloemen, leuke speeltjes voor de talloze huisdieren die wij hadden en lieve kleine hamstertjes. Soms zagen wij ook enge mannen die babymuisjes kochten om aan hun slangen te voeden. Dat was niet te vergeven, natuurlijk.

Bij de kassa kwam het leukste stukje. Er was een lange aanloop naar de kassa, een soort van walk to heaven, want ik wist dat er daar altijs iets nieuws te vinden was. Vaak waren  de kale poppetjes die je water kon geven te koop. Na een paar dagen groeide er dan haar uit hoofd. Daar beleefden wij altijd vee plezier aan. Bij een ander tuincentrum herinner ik mij de vlinders van veren. Er waren er vele, de een nog mooier dan de ander, in alle kleuren van de regenboog. Maar het allermooist vond ik altijd de kleine kerstboompjes, vol glitters. Het waren ienieminieboompjes, echte, vol glitters in alle kleuren van de regenboog. Ik denk dat er een soort van glitterlijmspray overheen was gespoten. Als je er alleen al naar keek vielen er al duizenden glitters uit. Toch kregen wij er altijd eentje. Terugdenkend achteraf vind ik dit niets voor mijn moeder, want al die glitters door heel het huis, dat zorgt alleen maar voor extra rommel. Maar toch gaf ze toe, en kregen wij elk jaar weer zo een mooi boompje. Prachtig.